Toen ik vanmorgen op het toilet zat en de tentoonstelling eens goed bekeek moest ik denken aan een Zwols balletje. Een ware Zwolse delicatesse, een traditie waar ik nooit iemand over. Een beetje zoals het bezoeken van het toilet. Een aangenaam verpozen waar best eens een openingszin aan geweid mag worden. Ik wierp een laatste blik, dacht aan die gladde haring van Harrie Bonksma die ik gisteren met pijn en moeite door de keel liet glibberen – het beest leefde nog – en spoelde vervolgens door. Over naar binnen glibberende vissen gesproken, laat ik dat Zwolse balletje vandaag achterwege laten. Douwtje Pietersma en de paling, ik zal het nooit vergeten…
Douwtje groeide op in onzer rozebuurt en ving dagelijks snoek, brasem en hele scholen voorn om de boel vervolgens in een jutezak mee naar huis te slepen. Juichend onthaalden we Douwtje als we hem in de verte aan zagen komen struinen. Stromend water was er nog niet, de hele dag dronken we bier van een droge gisting. Soms dagen geen droge boterham en ook de laatste suikerbieten waren bij Ploegsma uit de akker getrokken om ze zo rauw naar binnen te vreten. De veldwachter kneep een oogje toe waarbij hij met z’n knuisten de malse billen van mevrouw Ploegsma kneedde. Ploegsma zelf was blind, die zag nog geen verschil tussen een bloemkool en een struisvogel en hield vol dat de oogst dit jaar wel eens van uitzonderlijke kwaliteit zou kunnen zijn.
Enfin, Douwtje kon vissen als de beste. Wij vingen nooit iets maar we genoten van z’n geheimen. Nog voordat moeder de vrouw de stoofpot op temperatuur had reten we de jutezak aan fladeren om de stuiterende vissen likkebaardend van de straat te schrapen. Douwtje zelf hield een eigen voorraadje achter de broekriem dus zielig was het allerminst. De vissen verdwenen rauw tussen de kaken. Eerst de kop er af trekken en dan zo de sappigheid van de graat af richting hongerige maag. Zo ging dat in die tijd. Honger maakt rauwe bonen zoet maar ook die hadden we niet.
Op een dag liet Douwtje op zich wachten. Geen visser aan de horizon en de honger klopte ruw tegen de wangwortel. Wat bleek: zo dood als een pier. Douwtje ving een woeste paling op de stroomversnelling en kreeg het beest niet onder controle. Hij vocht als een leeuw en een kwartier lang rolden ze over de kade als matadoren die vechten voor hun leven. Het beest, slijmerig en glad als een stuk snot op een glijbaan, verzette zich hevig om tot slot een meesterzet van stal te halen. De aaseter maakte een schijnbeweging om zich vervolgens hard op het gehemelte van ons Douwtje te storten. Het beest vrat zich door de keel een weg naar binnen en Douwtje schreeuwde het uit van de pijn. Vlees werd aan vlarden gereten en het beest kwam via de endel weer naar buiten, liet zich van de kade glijden en verdween in het donkere water. Douwtje werd dagen later gevonden door de veldwachter die dacht dat het om een aangevreten bloedhond ging. Een meer nauwkeurige blik deed hem verstarren en huilend kwam hij met een kruiwagen het dorp in gelopen waar de visserman begraven werd. Douwtje Pietersma, wat een held. Ik zal de kerel nooit vergeten.
Gatverrrrrrrrr
Door:Ik opjuni 15, 2010
op5:18 pm